<

Verhaal n.a.v. Papier.schaar.steen,
door K. Schippers


Staking

Er moet nog een handtekening onder de net afgedrukte brief. Marleen pakt haar vulpen, en tast met de andere hand naar haar leesbril, naar de plek waar hij altijd ligt, al zou je je die nooit kunnen herinneren. Daarvoor is het gebied op haar werktafel te algemeen.
Ze vindt de bril niet en legt de vulpen neer. Ze zijn alle twee van haar zus Renee geweest. Marleen heeft ze niet van haar gekregen. Nadat Renee in een vliegtuig tegen een Turkse bergrug was verongelukt, zijn de vulpen en de bril Marleen min of meer toebedeeld, zo’n bijeenkomst waarop het bezit van een ander ruw uit elkaar wordt getrokken.  
Marleen loopt spiedend door haar studio. Ze pakt een woordenboek, legt het weer neer en gaat met haar vingers langs een paar voorwerpen. De bril met halve glazen is nergens te bekennen.
Heeft ze hem thuis laten liggen? Ze is hem vast ergens anders kwijt geraakt en nu proberen een paar simpele dingen hun come-back te maken die ze al mocht vergeten. Wat heb je aan het adres en het telefoonnummer van een gebouw waar je misschien nooit meer komt?
Marleen was gisteren gecommitteerde op een academie aan de rand van de stad. Ze bladert in het telefoonboek. Daar heb je het nummer en nu komt vanzelf de naam terug van de vrouw, die de organisatie in handen had.
De telefoniste zegt dat Ruby er is, maar ze moet haar wel even zoeken. Intussen bedenkt Marleen wat ze tegen haar moet zeggen. Ze kan de bril overal hebben neergelegd, in de hele school, dat achteloze gebaar waarmee je je even van een voorwerp bevrijdt om daarna, niet eens een ons lichter, een film of een ander beeld beter te kunnen bekijken.   
‘Ja, Ruby…’, het klinkt haastig, of ze niet gestoord mag worden.
‘M’n leesbril’, zegt Marleen, al blijft het de bril van Renee, en nu wordt die het middelpunt van het gebouw, gaat het atelier van een student binnen en verlaat het al weer, bereikt de tafel waar ze hebben gegeten, ligt op de rand van het balkon waar ze na afloop iets hebben gedronken en zit zelfs even in de zak van een jas, die aan de kapstok is blijven hangen. Ruby heeft hem naar de concierge gebracht, maar in de zakken heeft ze nog niet gekeken. Nee, die jas is niet van Marleen.
‘Als je zelf ‘ns even kwam kijken.’
‘Dat zal ik doen.’

Ze verlaat haar studio en loopt naar de tramhalte. Beter meteen naar de academie, dan blijft de bril niet de hele dag in haar gedachten. Dat kan nog net. Vanmiddag moet ze naar een lagere school, waar een groot aantal kinderen afscheid zal nemen. Haar andere zus Jet is het hoofd en Marleen helpt haar wel eens om het afscheidsfeest te verzinnen. Dit keer wordt het een verstophuis, naar een tekening van een leerling.  
In haar hoofd spoken nog beelden van gisteren. Zo was er op de academie een tekening van een schuur of een loods met een dunne trap die langs een gevel van planken, op een dakkapel uitkwam. De loods is omgeven door buizen en ranke staketsels, zoals je die wel bij een fabriek ziet, zonder dat je weet wat er wordt gemaakt.
De tramhalte is leeg. Misschien is dat altijd zo om een uur of halfelf, Marleen weet het niet, ’s morgens is ze zelden buiten. Ze staat er niet graag, het is zo wijd om haar heen.
Dan was er in een ander lokaal nog een model van een toren, compleet met klok en windhaan, waaromheen een slinger van zwarte rozen is gedrapeerd. Heel groot, een guirlande, of noem het een balletjurk, net of de bakstenen van het slanke bouwwerk zich ineens hebben bedacht en op eigen kracht in veel lichter materiaal zijn overgegaan.
‘Ze staken’, roept een vrouw, die langs haar fietst. Marleen heeft het in de krant gelezen. Het leek niet voor haar bestemd en ze vergat het. Vanochtend was ze niet van plan de tram te nemen.
‘Dank je’, roept Marleen. De vrouw op de fiets hoort het nog net en steekt haar hand op.
Even blijft ze staan en dan verlaat ze vlug de halte. Het is hoogstens een half uur lopen naar de academie. Dan moet ze wel een paar brede lanen oversteken, daarna ook nog een plein en die ruimtes probeert ze het liefst te vermijden.
Ze loopt terug naar de studio. Stakende dingen, een tramhalte, een bril, alles wat ze ziet krijgt er een lik van mee. Een winkel is dicht, ‘te koop’, het staat op een groot bord, er werden een maand geleden nog hoeden verkocht. Marleen zag eens dat een vrouw op straat een rose hoed droeg, die lag een dag eerder nog in de etalage
Even verder toont een kantoorboekhandel vellen grafiekpapier, keurig naast elkaar. Het is of het zo hoort, zo zal blijven, op dit papier zal nooit een streep  worden getrokken.

In de studio ligt de bril naast de koffiepot. De academie krimpt. Ze moet hem daar wel hebben neergelegd, al kan ze zich dat niet herinneren. Blijkbaar doet ze haar leesbril af als ze koffie zet of koffie inschenkt.  
De koffiepot is ook van Renee geweest. Jet wilde hem niet hebben, ze had de kleren van Renee al, precies haar maat en toen heeft Marleen de pot maar meegenomen.
Het ding kreeg in haar studio ook nog iets aardigs omdat er een foto van Renee aan de muur hangt waar de pot opstaat, links beneden op tafel, half afgesneden, maar het is hem wel. Als je die foto ziet denk je dat Renee zo weer binnen kan komen om de koffiepot te pakken. De echte is maar een meter of drie van de foto verwijderd.

’s Middags loopt Marleen naar de lagere school en ze weet niet goed wat ze er van moet verwachten. Jet vond dat ze het feest niet in de school zelf moest houden. Ze had het geluk dat vlak in de buurt een oud sigarenfabriekje was opgeheven. Met al die zalen, trappen en kamertjes bood het de gekste mogelijkheden om je te verstoppen.
Marleen ging er een keer met Jet en de tekenlerares Suzy kijken. Ze stribbelde tegen, was het niet te groot? Nee, Jet en Suzy vonden het een prachtkans. Het lege gebouw zat net tussen twee bestemmingen in. Het rook er wel sterk naar tabak, maar de machines om het dekblad te stansen en om de tabak te persen en te drogen waren al weggehaald. De kinderen kregen hier alle vrijheid.
Er is geen tram te zien. Een hele geluidslaag is uit het verkeer gesneden, Marleen hoort het ontbrekende nog eerder dan dat ze het ziet.
In een lap cement vlak voor een sjieke bank, een sierstrook tussen het gebouw en het trottoir, ziet ze de afdruk van hondenpoten, slingerend van hot naar her. Het lijkt wel of ze er met opzet in zijn geplaatst, zo mooi zien de afdrukken eruit. Waarschijnlijk rende het dier toevallig over het natte cement en toen het weer hard werd, heeft de architect het maar zo gelaten.
Hoe vermijdt ze dat plein? Over het trottoir langs de drie herenhuizen lopen, daar is de bebouwing veilig. Ze moet de richtingloze ruimte steeds weer veroveren, geholpen door koersverbeteringen, die je alleen jezelf op kunt leggen. Of je met z’n tweeÎn bent, dat zag ze gisteren op een andere tekening, mannen op schaduwvoeten, vlak achter elkaar.

Jet staat voor de school met een paar onderwijzers te praten, met haar rug naar Marleen toe. Ze draait zich met een ruk om, net of ze weet dat haar zus eraan komt.   
‘Ik heb het zelf ook nog niet gezien’, zegt ze.
‘Wat?’ vraagt Marleen.
‘Het verstoppen.’
‘Gedelegeerd?”
’Suzy heeft alles geregeld.  
Ze lopen in de richting van de vroegere sigarenfabriek. Het is verder dan Marleen dacht. Aan de rand van een weiland staat het gebouw er toevallig bij. Door geen ander bouwsel wordt het begeleid. Het dient er alleen toe om een laatste baken in de leegte te hebben, zodat je tenmminste nog kunt zeggen ‘daar, bij die fabriek.’  
Marleen herinnert zich een cartoon in een Amerikaans weekblad. Een vrachtwagenchauffeur staat verbaasd bij zijn gekantelde auto. Zijn hele voorraad wegwijzers, wel een stuk of zestig, ligt op de grond. De pijlen met kilometers wijzen naar de lucht en de struiken.
Kinderen hollen naar het gebouw toe of komen er net uit en rennen naar de school om nog iets te halen, of ze elkaars richtingen willen corrigeren. Andere volwassenen lopen voor de zusters uit, ouders die willen zien hoe schitterend hun kind zich kan verstoppen.  

De ingang van de fabriek is aan de andere kant. Ze slaan een hoek om. Daar wachten de ouders en de bezoekers die nog wat ouder zijn, grootouders natuurlijk.
Jet wordt staande gehouden door een collega. Marleen loopt door, ze wil het liefst meteen naar binnen, weg van de ruimte in haar rug. De zaalwacht houdt haar tegen, een meisje op hoge benen, ze heeft een tutu aan.
Wordt er straks gedanst? De deur achter de hooggebeende staat half open. Als je op je tenen staat en naar binnen gluurt, kun je toch al iets van de decors bij de komende voorstelling zien.  
Er liggen zwarte kluwens, veel groter dan een kind. Van touw zo te zien, het kan ook een ander materiaal zijn, gedeukt papier misschien, of golvend fluweel. Die Suzy heeft hoog spel gespeeld, geen kasten of dozen, nee, iets anders, waarbij je geheel niet aan verstoppen denkt.
Marleen wipt nog hoger op haar tenen. Daar komt een meisje uit een gekreukte bol, die door de beweging een beetje schudt, ze oefent.
Het papier of het touw doet Marleen van verre nog het meest denken aan het laken dat door een voet of arm steeds in een andere stand wordt gedrukt. Ze heeft in een warme nacht wel eens een paar uur naar haar slapende nichtjes zitten kijken. Het laken kwam in opstand, geen minuut waren de krinkels  hetzelfde. Dan bestaat het gladde oppervlak niet meer.
‘Kom mee’, zegt Jet. Marleen schrikt, haar zus staat vlak achter haar.
‘Je mag het toch nog niet zien?’
Jet legt een arm op Marleens schouder, ‘het begint zo.’

De hooggebeende doet een paar stappen opzij. Iedereen gaat naar binnen. De zwarte kluwens liggen overal, niet netjes achter elkaar, maar slordig door de hele ruimte, alsof ze door een rupsachtige trechter, die je wel eens voor een half verbouwd huis ziet, naar beneden zijn gegooid.
De bezoekers komen aarzelend tot stilstand, zoeken een plek, die het minst opvalt. De meesten leunen tegen een paal of tegen de muur. Een man zoekt steun bij een ladder en kijkt omhoog naar het zwart op de entresol.
In een hoek staat een reusachtige prullenmand vol proppen, ook zwart, als de andere op de grond.  Waar gaan de kinderen zich verbergen? “Tien, twintig, dertig…’, het zal zo wel door iemand worden geroepen, door de hooggebeende misschien.
Het blijft stil, ruimte in rust. En plotseling, als de spanning op haar hoogst is, komt een meisje in een zwart pakje en met donker haar uit een kluwen, of ze door het zwart wordt gebaard.
Nu schieten er ook nieuwe krinkels in de andere proppen. Twee jongens in het wit, meisjes in het groen of geel, ze komen tevoorschijn, eeuwig verstoppen, ze mogen maar even worden gezien.
Als de meisjes dichter bij het publiek komen, zie je dat het ruime kleren uit een verkleedkist zijn, van moeders of tantes. Verderop krijgt het paars of rood de abstractie die hoort bij dansende voeten, tot ze weer in het zwart zijn opgelost.   
Een paar meisjes komen uit de bovenste proppen in de prullenmand, ze klimmen naar beneden en rennen langs de twee zusters, in het rood en het geel.
‘Draagt die nou een jurk van Renee?’ fluistert Marleen tegen Jet.
Marleen ziet dat haar zus bloost, de twee danseressen zijn al weer in andere kluwens verdwenen.
‘Nou?’ gaat Marleen door.
‘Heb die vuilniszakken met kleren…’
‘Toch niet hier?’, vraagt Marleen, een paar bezoekers kijken verstoord om.
‘… op school bewaard.’
Nu loopt Renee overal, Suzy moet de zakken hebben gevonden,  een dependence van de verkleedkist, prachtig voor de kinderen, dat heeft ze gedacht.
Je ziet Renee in het groen de trap van het entresol afkomen en even later naar een prop in de prullenmand klimmen.  
Aan de andere kant van de zaal danst Renee, in haar helblauwe jurk, aarzelend omdat ze even niet weet welke kluwen ze in moet gaan.
En daar links komt ze ook tevoorschijn, in het wit met een  korte rok. Die jurk heeft ze voor het laatst op de begrafenis van hun grootmoeder gedragen.
Haar twee katten waren er ook, zo had grootmoeder het gewild. Jet, Renee en Marleen probeerden ze stil te houden. Ze ontsnapten aan hun greep, sprongen van hun schoot, de cyperse rende door de hele aula en stootte vlak bij de kist een vaas bloemen om.  
Daar danst Renee, in het wit, misschien zit er nog een kattenhaar op haar jurk. In de aula beet ze in haar hand, probeerde niet te lachen en toen schaterde ze het uit. Drie dagen later vloog ze naar Turkije.

© Copyright 2005: K. Schippers.

<